Broeikaseffect en uranium

Kernenergie draagt ook bij aan het broeikaseffect. Het gaat hier om CO2 dat vrijkomt bij winning en bewerking van uraniumerts, bij de bouw van de kerncentrale, het transport van kernbrandstof, de afbraak van de centrale, etc.. Bij al deze werkzaamheden zijn machines nodig die benzine of diesel gebruiken en zo CO2-uitstoot veroorzaken. Dit heet de indirecte CO2-uitstoot.

Op het ogenblik worden uraniumertsen gewonnen met gemiddeld zo’n 0,1 procent uranium; in 1000 kilo gesteente zit dan een kilo uranium. In deze situatie is de indirecte CO2 uitstoot van een kerncentrale 10 tot 50 % van de totale CO2-uitstoot een gas-gestookte centrale (15% tot 85% van een warmtekracht-installatie op aardgas), blijkt uit de schaarse beschikbare openbare gegevens.

Er is echter slechts een beperkte hoeveelheid van dit erts met 0,1 procent uranium. Wanneer vanwege het broeikaseffect meer kerncentrales gebouwd worden, zal men over tien tot vijftien jaar moeten overgaan op ertsen met een lager gehalte aan uranium. Dan moet veel meer gesteente afgegraven en verwerkt worden voor eenzelfde hoeveelheid uranium. Daardoor stijgt de indirecte CO2 uitstoot. Bij een ertsgehalte van 0,02 procent is de indirecte CO2-uitstoot door een kerncentrale gemiddeld 60% van die van een gascentrale. Bij nog armere ertsen van 0,01 procent is een kerncentrale verantwoordelijk voor meer CO2-emissie dan wanneer dezelfde hoeveelheid elektriciteit verkregen zou zijn door meteen fossiele brandstoffen te verbranden.

70 keer Borssele

In 1976 schatte het Internationale Atoom Energie Agentschap (IAEA) dat in het jaar 2000 wereldwijd kerncentrales een vermogen van 2.300.000 Megawatt (MW) zouden hebben. Voor Nederland was die schatting ook heel groot: in 1972 ging de Kernenergienota van Minister van Economische Zaken Langman ervan uit dat er in Nederland in het jaar 2000 maar liefst 35.000 MW geïnstalleerd kernenergievermogen zou staan. Dit is 70 keer het vermogen van de kerncentrale Borssele van 500 MW.

Als die IAEA-verwachting was uitgekomen, zou er vanaf 2000 jaarlijks 430.000 ton uranium nodig zijn geweest als brandstof voor die kerncentrales. Dat zou echter wel betekend hebben dat de bewezen en redelijk zekere geschatte voorraad uranium in het jaar 2000 al op zou zijn geweest.

Uranium snel op

Dat de uraniumvoorraad beperkt is, zien we ook op de volgende manier. Alle kerncentrales wereldwijd gebruiken nu jaarlijks bijna 70.000 ton uranium. Volgens een rapport uit 2010 van het NEA, een instituut dat vóór kernenergie is, zijn de bewezen en geschatte voorraden (op grond van redelijk betrouwbare gegevens) samen 6,3 miljoen ton. Daarnaast schat NEA de niet-ontdekte en speculatieve voorraden uranium op 10,5 miljoen ton. Hoelang die bewezen voorraad van 6,3 miljoen ton uranium mee gaat is natuurlijk afhankelijk van de vraag. Bij het huidige gebruik van uranium is de voorraad over 90 jaar op (90 maal huidig jaarlijks verbruik van 70.000 ton), maar als de vraag stijgt zijn we natuurlijk sneller door de voorraad heen. Dat kunnen we zien aan de hand van het volgende, uiteraard niet realistische, rekenvoorbeeld.

Stel dat alle landen het voorbeeld van Frankrijk zouden volgen en besluiten dat kernenergie in 2030 zeventig procent van alle elektriciteit moet leveren. Kernenergie zorgt in dit voorbeeld voor 27% van het wereldwijde energiegebruik, de rest komt uit fossiele brandstoffen en duurzame energie. We kunnen dan bij benadering uitrekenen dat tot eind 2030 zo’n 6 miljoen ton uranium nodig is. Dat is bijna de totale bewezen en geschatte voorraden van 6,3 miljoen ton. In plaats van over 100 jaar is in dit voorbeeld de bewezen en geschatte voorraad uranium al in 2031, over 20 jaar, op en is men dan afhankelijk van onzekere speculatieve voorraden. Als er wereldwijd veel kerncentrales gebouwd worden om bijvoorbeeld het broeikaseffect te bestrijden (wat ook verder noch de beste, noch de kosteneffectiefste methode is ), stuiten we al over enkele decennia op uraniumtekorten.

Overigens is volgens het Weense Internationale Atoom Energie Agentschap (IAEA) kernenergie in 2030 goed voor hooguit 7,3% van de energievoorziening in de wereld, nu is dat ongeveer 5,9%.

Meer Fukushima’s

Stel dat we aan de problemen met kernenergie voorbijgaan, net doen of het ongeluk bij Fukushima niet is gebeurd en het Nucleaire Energie Agentschap (NEA) te Parijs volgen. Het NEA heeft een scenario bedacht voor een forse toename van het aantal kerncentrales. Dat vergt op korte termijn een onwaarschijnlijke toename van de productiecapaciteit en van gekwalificeerd personeel. Tot 2050 moet elke twee weken begonnen worden met de bouw van een nieuwe kerncentrale. Het aandeel kernenergie in de totale energievoorziening neemt dan toe van 6% nu naar 15% in 2050. De rol van kernenergie blijft dus hoe dan ook beperkt.

Echter, hoe meer kerncentrales, hoe groter de kans op een kernsmelting. De kans dat er tot het jaar 2050 weer een kernsmelting gebeurt met ernstige gevolgen voor de omgeving is 4%, kunnen we uitrekenen op basis van de vooronderstellingen van de kernindustrie. En dat zal opnieuw een tegenslag voor de kernenergie betekenen. Dat er dus vanaf nu elke twee weken begonnen zal worden met de bouw van een kerncentrale is zeer onwaarschijnlijk. Daarmee is de nucleaire wederopstanding een illusie.

Ook daarom geen kernenergie
Benieuwd naar de andere 16 argumenten tegen kernenergie in Nederland? Lees ze via deze pagina allemaal, of download ze als PDF inclusief alle bronnen.


Let op: vernieuwde versie van “Ook daarom geen kernenergie” online:
18 argumenten tegen kernenergie


Schrijvers gezocht!
Uw advertentie hier?

Veelgestelde vragen

Laatste berichten