Nederlands aardgas geen nationaal eigendom door toedoen van Joop den Uyl

Na de ontdekking in 1959 van het aardgas onder Groningen was er een meningsverschil over het eigendom van dit gas. Is het gas eigendom van iedereen of van het bedrijfsleven? De rechtse en linkse politieke partijen hadden daar een verschillende visie op. Uiteindelijk besliste de regering in het voordeel van het bedrijfsleven. Joop den Uyl als belangrijke voorman van de PvdA zei hierover: “Nationalisatie zou mijns inziens economische dwaasheid zijn.” Zo kregen de oliemaatschappijen Shell en Esso via de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) veel macht en invloed. De instemming van de PvdA beslechtte het pleit in het voordeel van de rechtse partijen. Dat de NAM deze macht en invloed anno 2014 niet zomaar af wil staan is dus logisch, de politiek heeft het immers zelf zo gewild.

Shell en Esso worden NAM
Het bedrijfsleven speelde voor de Tweede Wereldoorlog al een rol. De Bataafsche Petroleum Maatschappij (BPM), een dochter van Koninklijke Shell Groep, kreeg namelijk in 1933 als enige het recht om te zoeken naar olie en gas in de provincies Groningen, Drenthe, Overijssel en Gelderland. Later werd dit recht ook voor andere landsdelen verleend.
Na de oorlog kwam ook Esso in beeld en zo kwam het op 19 september 1947 tot de oprichting van de NAM als een samenwerkingsverband tussen de Bataafse Petroleum Maatschappij (nu Shell Nederland) en Esso (nu Exxon Mobil); Shell en Esso kregen elk 50% van de aandelen.
In 1959 werd enig inzicht in de aanwezigheid van het Groninger gasvolume verkregen toen op zondag 2 augustus de productiedienst van de NAM begon met testen. Al snel bleek dat het om een grote hoeveelheid gas ging: in 1962 ging het naar verwachting om 300 miljard kubieke meter en uiteindelijk bleek er 2800 miljard kuub gas in het Groningen-veld te zitten.

Mijnwet 1810: staat eigenaar
In 1959 was nog steeds de Mijnwet – ‘Loi concernant les Mines, les Minières et les Carrières’ – van kracht. Die was in 1810 tijdens de Franse bezetting uitgevaardigd door keizer Napoleon. In deze wet werd bepaald dat landeigenaren geen recht hadden op delfstoffen die in hun grond werden aangetroffen. De Nederlandse staat was volgens de Mijnwet de eigenaar van het aardgas en mocht concessies en winningsrechten verlenen.
Shell was niet erg gelukkig met de ontdekking van gas, liever had men olie aangetroffen. “Blijf uit het gas, daar valt niets te verdienen. De staat beschouwt het als een openbare nutsvoorziening,” was de opvatting op de Shell-burelen. Oliewinning was immers de hoofdactiviteit en daar werd flink aan verdiend.
Verwarming van huizen en gebouwen met gas beschouwde Shell als een onhaalbare kaart. Gas zou verkocht moeten worden aan de industrie en elektriciteitsbedrijven. Esso daarentegen wilde vooral gas leveren voor de verwarming van huizen en gebouwen. Pas daarna kwamen industrie, centrales en tuinbouw. Immers, al voor de vondst van het Groningen-veld werd ongeveer een kwart van de Nederlandse gasverbruikers van aardgas voorzien, het zogeheten stadsgas. Een aantal grote steden, zoals Leeuwarden, was al helemaal op gas overgeschakeld. Esso had uitgerekend dat de ombouw van stadsgas naar aardgas snel uit zou kunnen. In 1960 schreef de NAM aan de regering bereid te zijn een bepaalde hoeveelheid aardgas voor Nederlands gebruik te leveren, maar winning en verkoop aan industrie en elektriciteitscentrales in eigen hand te willen houden.

Verhullende machtsverhoudingen
In de jaren 50 vond de PvdA dat de mijnbouw een overheidstaak was. Het bedrijfsleven moest daarbuiten blijven. Deze visie van de PvdA was een weerspiegeling van de mening van grote groepen van de bevolking, dat de opbrengsten van de gaswinning ten goede moesten komen aan iedereen. De oliemaatschappijen daarentegen wezen rechtstreekse deelneming van de staat bij de aardgaswinning in Nederland en bij de export met klem af. Dat had alles te maken
met de situatie in het Midden-Oosten. In 1960 was in de Iraakse hoofdstad Bagdad de organisatie van olie-exporterende landen OPEC opgericht, als reactie op de scherpe daling van de olieprijzen sinds 1957. De regeringen van de OPEC-landen probeerden ten koste van de oliemaatschappijen een groter aandeel in de winst te krijgen. Dit zogeheten sjeikeffect had een grote invloed op de regeling in Nederland. De oliemaatschappijen suggereerden wel akkoord te kunnen gaan met indirect staatsbelang van ruim een derde deel, maar dan moest dat tegenover het buitenland verhuld worden. Zo wilden ze de voorkomen dat men elders een voorbeeld zou kunnen nemen aan Nederland en zou pleiten voor rechtstreekse staatsdeelneming.
In het geheime rapport dat de Commissie-Van der Grinten in december 1961 aan de regering stuurde, werd voorgesteld de concessie formeel aan de NAM te verlenen. De NAM zou die concessie inbrengen in een maatschap waarin de Staatsmijnen voor 40 procent en Shell en Esso elk voor 30 procent deelnamen. Als de royalty’s van 10 procent, die al eerder waren bedongen, gehandhaafd bleven, was de staat verzekerd van een winstaandeel van 50 procent. De verkoop aan het buitenland zou via NAM Gasexport gaan, een constructie die door de juridische afdeling van Shell was bedacht. De daadwerkelijke levering zou gaan via een nog op te richten NV, die tot taak kreeg al het Nederlands aardgas in te kopen, te transporteren en te verkopen. Dit werd de Gasunie. De partners in de Gasunie zouden dezelfde zijn als in de NAM, evenals de verdeling van de aandelen. De regering stemde in met de voorstellen van de Commissie-Van der Grinten en legde deze voor aan de Tweede Kamer.

PvdA: geen nationalisatie aardgas
Binnen de PvdA verzette vooral het vooraanstaande fractielid Anne Vondeling zich. Hij wilde nationalisatie van de gaswinning. “Principieel,” zo betoogde hij, “behoort de winning van belangrijke bodemschatten te liggen in overheidshanden.” Zijn partijgenoot Joop den Uyl had dat ook ooit gezegd, maar hij was van mening veranderd, steunde de Commissie-Van der Grinten en kreeg de grote meerderheid van de PvdA-fractie mee. Dit had tot gevolg dat de Nota inzake het aardgas op 4 oktober 1962 door de Tweede Kamer werd aangenomen. Daarmee lagen de machtsverhoudingen vast. Op een voor de buitenwacht verhullende manier kreeg het bedrijfsleven een grote vinger in de pap. Deze ondoorzichtigheid is er nog steeds, hoewel de verschillende partijen het tegenwoordig graag hebben over transparantie.
Na het besluit van de Kamer werd op 6 april 1963 de oprichtingsakte van de NV Nederlandse Gasunie officieel ondertekend. Door deelname van Shell en Esso in de Gasunie kregen deze bedrijven toegang tot het gasdistributienet. Zo kon een snelle afzet van aardgas in Nederland worden gerealiseerd. Bovendien gingen al in mei 1963 delegaties naar West-Duitsland, Frankrijk en België om daar gas te verkopen.

1970: meer gasexport vanwege kernenergie
In de jaren 60 was het idee dat kernenergie de toekomst had en zo goedkoop zou worden dat aardgas daarmee in waarde zou verminderen. De regering ging ervan uit dat in het jaar 2000 alle elektriciteit uit 35 Nederlandse kerncentrales zou komen. Aan het kabinet-Den Uyl hebben we de plannen voor kerncentrales aan onder meer de Eemshaven en opslag van radioactief afval in zoutkoepels te danken.
De Nederlandse aardgasvoorraden moesten vanwege de kernenergieplannen zo snel mogelijk opgemaakt worden, door sterke toename van het gebruik zowel in binnen- als in buitenland. In 1970 maakte de Kamercommissie voor Economische Zaken van de Tweede Kamer zich ongerust over de geringe omvang van de export: er moest meer afgezet worden naar het buitenland. Over aardbevingen had niemand het. Hoewel de eerste ernstige aardbeving uit 1986 dateerde, werd het verband tussen aardgaswinning en aardbevingen pas in 1993 erkend door de overheid.

Gebruikte literatuur:
http://gasterradoet.gasterra.nl/gasterra-inspireert/de-wereld-van-aardgas, Deel 3: Onzichtbaar goud.
http://www.tpedigitaal.nl/archief2/1978-1, Staat, bodemschatten en energiepolitiek – een analyse van de strijd om de Mijnwet Continentaal Plat Jan de Jong en Arnold Koper TPE 1978, jaargang 2(1), pagina 7-53

hdamveld@xs4all.nl'

Auteur: Herman Damveld

Herman Damveld woont in Groningen en is zelfstandig onderzoeker en publicist over energie. Vanaf 1976 houdt hij zich bezig met plannen voor ondergrondse opslag van kernafval. Hij heeft daar veel over gepubliceerd. In 1996 kwam hij ook rapporten tegen over ondergrondse opslag van CO2 en ziet veel overeenkomsten tussen hoe de overheden omgaan met kernafval en met CO2. De zonnepanelen van Damveld maken meer stroom dan hij gebruikt en hij is dus stroomproducent.

2 gedachten over “Nederlands aardgas geen nationaal eigendom door toedoen van Joop den Uyl”

  1. Als je het artikel over de totale aardgasbaten en de verdeling ervan over de overheid en NAM hier naast legt komt er toch een wat ander beeld naar voren. Volgens dat artikel komt verreweg het grootste deel van die baten ten goede aan de overheid (en dat zijn wij in Nederland met z’n allen). Dat de NAM een deel van de baten krijgt ligt voor de hand; zij haalt het gas uit de bodem.
    Gerelateerd aan de verdeling van de poet had nationalisatie waarschijnlijk niet of weinig meer opgeleverd. Jammer dat er geen enkele politieke partij was destijds die bedacht heeft dat de opbrengsten in een pot hadden moeten worden gestopt (zoals Noorwegen doet).

  2. Beste Klaas,

    Dank je wel voor jouw reactie. Wat betreft de baten van de NAM: daarover zijn alleen gegevens bekend vanaf 2006. Dus wat de NAM vanaf de jaren 60 tot 2006 heeft verdiend, weten we niet.
    U verbindt nationalisatie met geld. Bij nationalisatie gaat het niet zozeer over geld, maar over de manier waarop beslissingen genomen worden. Nu hebben we te maken met de NAM als machtsfactor die soms bijvoorbeeld zaken over schadeherstel door aardbevingen tegenhoudt en op die manier zorgt voor problemen bij vele bewoners van Groningen. Als he zou gaan om nationaal eigendom, dan zou er veel eerder en beter ingegrepen kunnen worden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *